VS medeschuldig aan geheugenverlies Japan

 

Uit: NRC Handelsblad van zaterdag 1 september 2001. Door: Steven C. Clemons.

Japan verdient kritiek vanwege zijn onvermogen om in eigen land een gezond debat te voeren over het oorlogsverleden. Maar vijftig jaar na de ondertekening van het vredesverdrag van San Francisco tussen Japan en de geallieerden wordt duidelijk dat de Verenigde Staten medeplichtig zijn aan het geheugenverlies van Japan, meent

Geheimhouding vreet aan de democratie, maar er lijken niet zoveel landen te zijn die met deze gewoonte kunnen breken. Aan het begin van de 21ste eeuw geeft de Amerikaanse overheid nog altijd geen inzage in bepaalde historische stukken uit haar verleden en houdt ze krachtig vast aan halve waarheden en regelrechte leugens over staatszaken die zich tientallen jaren geleden hebben voltrokken.

Een van de opvallende voorbeelden van overheidsbedrog dat nog altijd voortduurt, oorspronkelijk bekokstoofd door de befaamde anticommunist John Foster Dulles en tientallen jaren voortgezet door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, betreft de voorwaarden waarmee akkoord werd gegaan door de ondertekenaars van het vredesverdrag van San Francisco. Dat verdrag maakte een officieel einde aan de vijandelijkheden tussen Japan en de 47 landen die het ondertekenden en legde de grondslag voor het militaire bondgenootschap tussen Japan en de Verenigde Staten dat daarna werd gevormd.

Op 8 september aanstaande is de 50ste verjaardag van dit verdrag. Het had onder meer als strekking ,,dat de geallieerde mogendheden afzagen van alle aanspraken op herstelbetalingen en andere aanspraken van de geallieerde mogendheden en hun onderdanen op grond van handelingen die door Japan en zijn onderdanen in de loop van de oorlogvoering waren verricht'' (artikel 14 (b).

Verborgen in de nationale veiligheidsarchieven in Washington, maar langzaamaan uitgelekt en verspreid onder een handjevol juristen in de VS en Europa, bevindt zich een reeks diplomatieke telegrammen, ambtelijke brieven en andere memoranda voor het merendeel 49 jaar geheimgehouden die wel eens tot een ingrijpende verandering kunnen leiden in onze kijk op het vredesakkoord dat de geallieerden in 1951 met Japan sloten.

Belangrijker nog is dat deze stukken van invloed zouden kunnen zijn op de juridische vorderingen die door Amerikaanse krijgsgevangenen en andere slachtoffers van de Japanse agressie tijdens de Tweede Wereldoorlog nog altijd worden ingesteld tegen een aantal Japanse bedrijven dat geallieerde krijgsgevangenen als slaven in dwangarbeiderskampen gebruikte.

Uit angst voor communistische expansie in Azië van de Russen en Chinezen wilde John Foster Dulles Japan ontlasten van de verantwoordelijkheid voor zijn agressie tijdens de oorlog en Japan snel rehabiliteren van Amerika's voornaamste vijand tijdens de Tweede Wereldoorlog tot Amerika's beste vriend en bondgenoot in de Stille Oceaan. Zware druk en achterkamertjespolitiek had Dulles nodig om de meeste geallieerde mogendheden over te halen in te stemmen met de verdragsbepalingen die hij had opgesteld. Tot de belangrijke landen die het verdrag niet tekenden behoorde Korea, vanwege de onverzoenlijke vijandschap tegenover Japan na de beestachtige kolonisatie van het Koreaanse schiereiland. India, China en de Sovjet-Unie tekenden evenmin.

Aan de wortel van de historische controverse van destijds lag de principiële opstelling van de toenmalige Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, D.U. Stikker. Stikker verdedigde het grondwettelijke recht van Nederlandse burgers om op grond van de oorlog vorderingen in te stellen tegen Japanse particuliere belangen (dus niet tegen de Japanse overheid). Hij voerde het argument aan dat de Nederlandse overheid haar burgers dat recht niet kon ontnemen. Op 3 en 4 september 1951 hield Stikker in gesprekken met Dulles voet bij stuk en gaf hij Dulles te verstaan dat Nederland een verdrag met zo'n beding niet zou tekenen.

Stikkers standpunt heeft onder enkele geleerden en juristen geleid tot een debat over de vraag of ook de Verenigde Staten de grondwettelijke bevoegdheid misten om af te zien van het recht van hun burgers om van particuliere partijen in Japan genoegdoening te eisen. Anders dan de andere grote mogendheden die weigerden te tekenen of wier deelname aan de onderhandelingen werd belet, zoals in het geval van China, was Europa en vooral Nederland voornamelijk om geostrategische redenen voor Dulles wel degelijk van belang. Hij vreesde dat, als Nederland zou afhaken, ook Groot-Brittannië, Australië en Nieuw Zeeland wellicht uit de boot zouden vallen.

Dus arrangeerde Dulles op 7 en 8 september, de dag voor en de ochtend van de feitelijke ondertekeningsplechtigheid, een ultra-geheime ambtelijke briefwisseling tussen minister van Buitenlandse Zaken Stikker en premier Yoshida, waarin Yoshida verklaarde dat ,,de regering van Japan niet van mening is dat de regering van Nederland door de ondertekening van het verdrag afstand heeft gedaan van de particuliere aanspraken van haar onderdanen, zodanig dat deze aanspraken niet meer zouden bestaan nadat het verdrag van kracht is geworden.''

Niettemin wordt in artikel 26 van het vredesverdrag van San Francisco ondubbelzinnig gesteld dat ,,in het geval dat Japan met enig land een vredes- of herstelbetalingsregeling overeenkomt waarbij dat land grotere voordelen worden geboden dan voortvloeien uit het huidige verdrag, de partijen bij het huidige verdrag diezelfde voordelen zullen worden geboden.''

Met andere woorden: om op het laatst de boel bij elkaar te houden en de Nederlanders tegemoet te komen, bestendigde Dulles het recht van geallieerde privé-burgers om met betrekking tot de oorlog vorderingen op particuliere Japanse belangen in te stellen, maar hij deed dat wel misleidend en bedekt.

Zijn diplomatieke vakkundigheid leidde tot een uitkomst waarbij de openlijke taal van het vredesverdrag werd ondergraven en gewijzigd door een geheime afspraak, die het Amerikaanse of Europese publiek niet te horen kreeg. De ondertekende brief, die Yoshida op 8 september stuurde aan de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, werd het juridische criterium voor het recht van de geallieerde burgers om op grond van het feitelijke vredesverdrag, dat diezelfde dag werd ondertekend, vorderingen tegen Japan in te stellen.

Maar dit soort brieven werd pas vrijgegeven op 12 april vorig jaar. Het boeiende was dat medewerkers van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken lieten weten dat ,,Stikker beklemtoonde dat de bedoeling van deze verklaring (dat wil zeggen de verklaring van Yoshida) niet was de Japanners daadwerkelijk te verplichten om de eisers geld uit te betalen. Hij besefte ten volle dat die mogelijkheid niet zo waarschijnlijk was.''

Maar in 1956 wisten de Nederlanders Japan toch te bewegen tot een herstelbetaling aan privé-burgers ten bedrage van 10 miljoen dollar. De Japanners wensten niet op de Nederlandse vorderingen in te gaan omdat de algemene opvatting was dat artikel 14(b) Japan tegen zulke vorderingen beschermde. Dulles wees hen er echter op dat de briefwisseling tussen Yoshida en Stikker de prijs was geweest om Nederland tot ondertekening van het vredesverdrag te bewegen en dat de VS `aanzienlijke druk' op Nederland hadden uitgeoefend om mee te blijven doen. De VS hebben dus altijd geweten dat artikel 14(b) dan wel in naam privé-burgers het recht op civiele vorderingen ontnam, maar dat deze vanaf de dag dat het verdrag werd ondertekend waren uitgezonderd.

Helaas zullen de meeste symposia en berichten in de media over de 50ste verjaardag van het vredesverdrag niet ingaan op deze belangrijke kwesties aangaande de historische herinnering en de aansprakelijkheid voor de Japanse agressie en gedragingen tijdens de oorlog.

Een groepje Amerikaanse krijgsgevangenen heeft aangekondigd om voorafgaand aan het jubileum te betogen bij Amerikaanse vestigingen van Mitsubishi Motors. Mitsubishi was een van de vooroorlogse concerns die, samen met onder meer Mitsui, krijgsgevangenen inzette voor slavenarbeid. De krijgsgevangenen hebben in Californië al een rechtszaak verloren. De rechter vond dat het vredesverdrag van San Francisco en de visie van Dulles om Japan te rehabiliteren een dusdanig succes zijn geweest dat het wel degelijk gerechtvaardigd was om af te zien van het individuele recht in Japan om vorderingen tegen privé-partijen in te stellen.

Dat is het probleem met de geheimhoudingscultus waarmee Amerika zijn buitenlands beleid voert. Dat een rechter vijftig jaar na dato het `doel' rechtvaardigt dat Dulles in gedachten had toen hij een streep door de Japanse oorlogsschulden haalde, wil nog niet zeggen dat deze gang van zaken redelijk of zelfs maar het beste was. De uitgebleven steunverlening aan vorderingen tegen Japanse privé-partijen die geallieerde soldaten tot slaaf hebben gemaakt en uitgemoord, is een van de redenen dat Japan nog altijd met een aantal landen een krampachtige strijd over zijn geschiedenis voert.

Anders dan de Duitse samenleving, die al vijftig jaar bezig is met een openbaar debat over Hitler en de holocaust, heeft Japan geen uitvoerig gewetensonderzoek verricht of het soort rechtszaken en openbare debatten meegemaakt die hadden kunnen leiden tot eengemeenschappelijk begrip van de geschiedenis onder de burgers in Japan en in het deel van Azië dat grenst aan de Stille Oceaan.

Het bezoek van premier Koizumi in augustus aan de Yasukuni-tempel, die een eerbetoon is aan de ziel van de Japanners (met in begrip van oorlogsmisdadigers) die in de oorlog zijn gesneuveld, en de niet-aflatende pogingen van sommige Japanse geschiedschrijvers om de Japanse agressie tegen Korea en China in de oorlog te herschrijven en herdefiniëren, hebben deze spanning om de officiële Japanse geschiedschrijving nog verhoogd. Doordat Japan zo ongemakkelijk omgaat met het binnenlands debat over zijn nationale geschiedenis, is het begrijpelijk dat andere landen geen vertrouwen hebben in een machtiger Japan.

We weten nu pas dat John Foster Dulles iets heeft afgesproken waarbij Amerikaanse krijgsgevangenen en anderen het recht behielden om persoonlijke vorderingen tegen particuliere Japanse bedrijven in te stellen maar dat hij geprobeerd heeft de instrumenten om die vorderingen in te stellen buiten bereik van het publiek te houden. En om de stabiliteit van de Amerikaanse betrekkingen met Japan te bewaren, heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken geregeld dwarsgelegen als het verdrag juridisch werd aangevochten. Het ministerie ging daarbij zelfs zover dat het voor de rechtbank in Californië tegenover de voormalige Amerikaanse krijgsgevangenen stond.

Japan verdient kritiek vanwege zijn onvermogen om in eigen land een gezond debat over zijn verleden te voeren, vooral over de rol van de keizer en de gedragingen van het land tijdens de oorlog. Maar het wordt ook steeds duidelijker dat de Verenigde Staten, blijkens de groeiende controverse over de voorwaarden van het vredesverdrag van San Francisco, medeplichtig zijn én actief hebben meegewerkt aan het historische geheugenverlies van Japan.